Westernzadels -> Constructie (2)

Door Louis van Kerkhoff

Inleiding.
Ik verwijs hier naar de inleiding van het 1e hoofdstuk.
Indien je het 1e en 2e hoofdstuk niet hebt gelezen; alsnog doen, want anders zou je enige relaties kunnen missen.

Referenties.
Ook m.b.t. de referenties verwijs ik naar het 1e hoofdstuk.

De constructie.
In dit hoofdstuk wil ik het hebben over een paar minder in het oog springende, maar daarom niet minder belangrijke zaken, rond de montage van een westernzadel. In dit geval rond de bekleding van de horn, en de fork en het naaiwerk.

De horn.
De horn is wel het meest kenmerkende onderdeel van een westernzadel. Geen horn, geen westernzadel, is een algemeen begrip. In Europa (waar het vangen van vee met een lasso veelal verboden is) lijkt de horn eigenlijk een beetje misplaatst onderdeel, tenzij je hem gebruikt als handvat bij het bokken van je paard of als “ruig” steuntje bij het roken van een shaggy.
Bij de meeste westernzadels, is de horn van een gegoten aluminium legering of van gegoten ijzer. Bij bomen van hout, zit de horn met vier zware schroeven in een uitsparing geschroefd. Veelal is deze constructie in de praktijk te zwak voor het echte cowboy werk. In de gevallen waar dat noodzakelijk is, zit de horn met bouten vast, die door de boom heen, aan de binnenzijde ook door een metalen contraplaat zijn gestoken, om zodoende de enorme krachten aan te kunnen die soms bij het vangen van vee op de horn komen te staan. Bij Ralide bomen, zit de horn (bij Ralide altijd van ijzer) met dwars staven in de kunststof fork gegoten, waardoor de meeste Ralide bomen wel “standaard” geschikt zijn voor roping.

Voor de montage is echter een ander punt veel belangrijker, dan de constructie van de horn op de fork; namelijk de bekleding van de horn. Bij vrijwel alle fabriekszadels, wordt de hornbekleding vooraf als een soort hoesje gestikt, vervolgens nat gemaakt en aan de binnenzijde van lijm voorzien en daarna over de horn getrokken. Na een paar jaar, een goede regenbui, of een aantal aspirant lessen cutting, laat de lijm tussen het hoesje en de metalen horn los en kan men de bekleding los om de knop bewegen.

Een juiste montage, die echter meer tijd vergt en alleen maar met de hand kan worden gemaakt, is die, waarbij de horn bekleding aan een leren “filler” wordt vastgenaaid. De leren filler op zich is vooraf, d.m.v. een paar koperen klinknagels, aan de horn vast gezet.
Het los raken van een dergelijke bekleding is vrijwel onmogelijk. Zie onderstaande foto.




De fork.
Bij westernzadels die gemaakt zijn op bomen van het model Bowman (de meeste Reining zadels) of het model Association (veelal Cutting zadels) moet aan de kopse zijde van de fork, het leer veelal worden ingesneden, om zodoende strak om de fork te kunnen worden getrokken (zie rode lijn op onderstaande foto).



Bij veel westernzadels worden vervolgens de delen aan beide zijden van de snede tegen elkaar gelijmd, waarna de naad wordt “gemaskeerd” met een tooling.



De lijm laat na enige jaren vaak los en de naad komt open.
Bij andere westernzadels wordt de naad aan de binnen zijde van de fork bekleding genaaid. Vervolgens wordt de fork bekleding nat gemaakt en over de fork getrokken. Deze methode heeft als nadeel, dat de genaaide naad onder spanning staat en dat de draad bij een kleine beschadiging meteen “los tornt”, met hetzelfde resultaat als vorige methode. Het naaiwerk is niet meer te herstellen.

Een juiste methode is een afwerking met vlechtwerk (die bij evt. beschadiging sterker is) en die kan worden gerepareerd (zie foto).
Een andere methode is die van een afdekking van leer of zilver, die buiten over de naad is gezet.



Naaiwerk.
Het naaiwerk aan een westernzadel is heel erg belangrijk. Het naaiwerk houdt delen leer op elkaar en verstevigd belangrijke punten.

Goed naaiwerk ligt in een “verzonken” baan in het leer. Daartoe wordt in het leer een gleufje gesneden, dat iets dieper is als de dikte van de draad. Vervolgens wordt het naaiwerk in deze gleuf “gelegd”. Bij de meeste westernzadels wordt dit niet gedaan, met als gevolg dat hele delen naaiwerk onder over elkaar schurende oppervlakten (leer, broek, laarzen) wegslijten en los tornen. De reden waarom dit niet gedaan wordt is, dat het heel moeilijk is om met een (snelle) naaimachine exact in die gleuf te naaien.

Ook het gebruikte garen is van groot belang. Bij heel veel westernzadels wordt katoendraad gebruikt. Ook de ouderwetse zadelmaker grijpt nog vaak naar katoendraad, omdat deze zich op dikte laat “splitsen” en men zo, met 1 type (dikte) draad, veel soorten naaiwerk kan uitvoeren. Het grote probleem bij katoendraad is echter, dat katoen – als natuurproduct – verrot. Vocht en vet op katoen, vormen een perfecte voedingsbodem voor bacteriën die er voor zorgen dat katoendraad na een paar jaar zijn sterkte snel verliest. Je kunt poetsen en schoonhouden zoveel je wil, maar dit proces zet onherroepelijk door.
De oplossing ligt hier in moderne vezels zoals polyester, dralon en nylon.

Westernzadels, die met de hand worden gemaakt, worden vaak ook met de hand genaaid. De meeste gebuikte methode is die van 2 draden (en 2 naalden) waarbij de 1e naald van links naar rechts en de 2e naald van rechts naar links door hetzelfde gat worden gestoken. Veelal wordt daarbij ook een extra slag om elkaar heen gemaakt, waardoor de draden elkaar 1 keer omslaan. Vervolgens worden beide draadeinden aangetrokken en wordt de volgende steek gezet. Naast het feit dat deze methode zeer arbeidsintensief is, is de aantrekkracht van het naaiwerk vrij los; tussen iedere steek door, loopt de spanning op de draden terug, omdat ze steeds weer los hangen.

Aan het stikwerk met een – zware – naaimachine, kleeft het nadeel, dat de steken, bij het doorslijten vaak snel gaan “tornen”. Het voordeel van naaimachine werk is, dat alle steken exact gelijk zijn en dat de spanning op de draad bij iedere steek gelijk is.

Om het tornen te voorkomen, maken enkele westernzadelmakers tegenwoordig gebruik van speciale garens. Deze garens bestaan uit een kern van een kunststof die – eenmalig - vocht gevoelig is en een buitenmantel van polyestergaren. Nadat het naaiwerk gezet is en vochtig wordt (water / olie) zet de draad uit en zet zich zo vast in het leer. Wordt dit naaiwerk ook nog dieper gelegd (in een gleuf) ontstaat er superieur naaiwerk.